Deze lijst somt de belangrijkste wildedierenziekten op die in Vlaanderen (kunnen) voorkomen.
Dode everzwijnen, vogels en amfibieën kunnen een risico vormen voor de volksgezondheid en worden ingezameld voor verder onderzoek. Melden kan via een VOC in uw buurt.
Afrikaanse varkenspest
Afrikaanse varkenspest is een virusziekte die voorkomt bij varkens. Ook everzwijnen die in het wild leven, kunnen geïnfecteerd worden. De ziekte is erg besmettelijk en kent vaak een dodelijke afloop. Een specifieke behandeling bestaat voorlopig niet. Afrikaanse varkenspest is niet gevaarlijk voor mensen of voor huisdieren, maar heeft het potentieel om de professionele varkenshouderij zwaar aan te tasten. De ziekte verspreidt zich:
- Via de baarmoeder (van zeug op big)
- Door rechtstreeks contact met een ziek dier
- Door onrechtstreeks contact met een ziek dier (bijvoorbeeld via mensen of via besmette schoenen, kleren, materialen of voertuigen)
- Door het eten van onvoldoende verhit voedselafval
Het virus is aanwezig in het bloed, de weefsels, de urine, de uitwerpselen en alle uitscheidingen van zieke dieren. Het is heel besmettelijk en blijft lange tijd in de weefsels aanwezig.
Bioveiligheid i.k.v. Afrikaanse varkenspest
In alle gebieden (ook niet risico gebieden) is het belangrijk de volgende maatregelen te volgen:
- Blijf op de (verharde) paden
- Klop schoenen, laarzen,…. goed uit na het verlaten van het gebied en alvorens een voertuig te betreden
- Borstel de poten van honden die mee waren goed af
- Laat je afval nooit achter in de natuur (of langs de weg). Gooi je afval steeds in een gesloten afvalcontainer.
Meer tips kan je in de flyers van FAVV lezen!
Monitoring
Doordat de ziekte aanwezig is in sommige everzwijnpopulaties en gedomesticeerde zwijnen in het oosten van Europa, en omdat er enkele jaren geleden een uitbraak van het virus was in Wallonië, wordt de verspreiding ervan zeer nauwlettend in de gaten gehouden. Voor Afrikaanse varkenspest voert Natuur en Bos een basismonitoring uit. Dat betekent dat elk dood aangetroffen everzwijn wordt onderzocht. De basisbewaking loopt permanent in Vlaanderen en wordt gefinancierd door de Vlaamse overheid. Periodiek wordt er eveneens een actieve bewaking uitgevoerd door Natuur en Bos. Voorlopig zijn alle resultaten uit de bewaking van Afrikaanse varkenspest negatief en is de wilde fauna in Vlaanderen vrij van Afrikaanse varkenspest..
Verhoogde waakzaamheid in België
Vlaanderen onderscheidt vier dreigingsniveaus voor Afrikaanse varkenspest.
Sinds de afhandeling van de uitbraak in Wallonië bevindt Vlaanderen zich terug in code groen. De bioveiligheidsmaatregelen blijven wel van kracht en ook de internationale situatie wordt op de voet gevolgd. Waakzaamheid blijft geboden om insleep in Vlaanderen te vermijden.
Rol van jagers
Ook jagers kunnen er mee voor zorgen dat de Afrikaanse varkenspest zich niet verder verspreidt onder wilde everzwijnen in Vlaanderen. Wie in aanraking is gekomen met wilde varkens, neemt best de volgende sanitaire voorzorgsmaatregelen:
- Draag schoeisel dat je goed kan reinigen en afspoelen. Draag vloeistofdichte (wegwerp)handschoenen bij het manipuleren van everzwijnen en everzwijnresten. Doe de wegwerphandschoenen na gebruik bij het restafval.
- Bij het ontweiden van geschoten everzwijnen in het veld mag je de ingewanden NIET achterlaten in de natuur. De ingewanden en slachtresten (kop, poten, vel) moeten meegenomen worden naar een wildverwerkingsinrichting of te worden verzameld in een kadaverton en opgehaald door een bevoegd destructiebedrijf.
- Was na de jacht de handen met water en zeep.
- Gooi alle resten van maaltijden die varkensvlees bevatten (zoals salami) weg in gesloten vuilnisbakken.
- Indien mogelijk, borstel de poten van jachthonden af voor het inladen in de wagen of bij het verlaten van het (jacht)gebied.
- Verbod op het in contact komen met gedomesticeerde varkens in de eerste 72 uur na contact met een everzwijn.
- Wees alert voor dode everzwijnen en meld ze onmiddellijk aan de bevoegde regionale autoriteit voor ophaling en onderzoek.
Bij jachtactiviteiten in het buitenland (zeker in een land met een besmette zone) moeten alle voorzorgsmaatregelen genomen worden om verspreiding te voorkomen!
- Neem geen karkassen, delen van karkassen of jachttrofeeën van everzwijnen mee, beperk zoveel mogelijk de invoer van everzwijnvlees.
- Laat de plaatselijke jagers de taken uitvoeren waarbij everzwijnenkarkassen worden gehanteerd, zoals het vervoer van deze karkassen en het verwijderen van de ingewanden in de aangeduide uitslachtzone.
- Laat de resten nooit achter maar zorg voor correcte verwerking van alle afval, ook etensresten worden in een gesloten afvalcontainer achtergelaten.
- Neem geen jachthonden mee naar gebieden waar AVP circuleert.
- De poten van jachthonden kunnen steeds best afgeborsteld worden voor het inladen in de wagen of bij het verlaten van het (jacht)gebied.
- Borstel ter plaatste na de jachtactiviteit de laarzen en ander gebruikt materiaal. Neem alle materiaal mee in een afgesloten zak of aparte plastieken bak naar de verblijfplaats om het materiaal (inclusief de plastieken bak) daar vervolgens grondig te reinigen met detergent en stromend water. Bij thuiskomst uit AVP-gebied kunnen laarzen verder ontsmet worden met bleekwater. Reinig de voertuigen (banden en interieur) die werden gebruikt bij de jacht. Grondig spoelen is aangewezen. Een carwash beurt is hiervoor ideaal.
- Was uw handen met water en zeep en gebruik extra ontsmettingsmiddel (alcohol 60%) na de werkzaamheden.
- Was de tijdens de jacht gedragen kledij die in contact kwam met everzwijn(resten) aan een hoge temperatuur.
- Verbod op het in contact komen met gedomesticeerde varkens in de eerste 72 uur na thuiskomst.
Ziek of gewond everzwijn gevonden?
Vindt u een ziek of gewond everzwijn, neem dan contact op met een opvangcentrum voor wilde dieren in uw buurt. Raak het everzwijn zeker niet aan en hou voldoende afstand. Zieke of gewonde everzwijnen kunnen onverwacht reageren als ze zich bedreigd voelen.
Alle betrokken diensten weten hoe ze met een melding moeten omgaan. Een gevangen everzwijn wordt getest op Afrikaanse varkenspest en enkele andere ziekten.
Dood everzwijn gevonden?
Om Afrikaanse varkenspest vroegtijdig op te sporen is het heel belangrijk dat u dode everzwijnen meteen meldt aan de bevoegde regionale autoriteit. Raak het everzwijn zeker niet aan en hou voldoende afstand. Dode everzwijnen kunnen ziektekiemen dragen.
Meer weten?
- Voor de huidige stand van zaken en verspreiding van AVP wereldwijd kan u terecht op: www.woah.org/en/disease/african-swine-fever.
- Meer informatie over maatregelen i.v.m. gedomesticeerde varkens en brochures voor het grote publiek en reizigers, voor jagers en voor veehouders: website van het FAVV
- Meer informatie over maatregelen i.v.m. everzwijnen in Wallonië: website van SPW
- Lijst van formele besluiten inzake de Afrikaanse varkenspest
- Lees de brochure ‘Preventieve maatregelen voor jagers’
- Lees de brochure ‘Preventieve maatregelen voor veehouders’
- Lees de brochure ‘Preventieve maatregelen voor elke burger’
Alveolaire echinococcose (vossenlintworm)
De vossenlintworm of Echinococcus multilocularis is een lintworm die kan voorkomen bij verschillende dieren in het wild. De bekendste drager is de vos. De meeste dieren hebben weinig last van een vossenlintworm. Bij mensen kan deze lintworm echter de ernstige en vaak dodelijke leverziekte alveolaire echinococcose uitlokken. Na een besmetting kan het 5 tot 15 jaar duren voor een patiënt ziekteverschijnselen ontwikkelt. Die bestaan uit onder meer buikpijn, kortademigheid en geelzucht door het falen van de lever. Door de hoge sterftecijfers bij patiënten vormt de vossenlintworm een bedreiging voor de volksgezondheid.
Baylisascaris procyonis (wasbeerspoelworm)
Wat is Baylisascaris procyonis?
Baylisascaris procyonis (B. procyonis) is een spoelworm die kan voorkomen bij wasberen. De wasbeer is in België een geïntroduceerde soort, die in toenemende mate voorkomt in Vlaanderen en Wallonië. Wasberen zien er schattig uit, maar het zijn exoten die de biodiversiteit bedreigen en ziektes verspreiden. In hun zoektocht naar voedsel in bewoonde gebieden, kunnen ze huisdieren verwonden en besmetten met verschillende ziektes. Een van die ziektes is Baylisascariose die wordt veroorzaakt door de spoelworm Baylisascaris procyonis. Deze parasiet kan naast de wasbeer, ook vogels en vele andere zoogdieren infecteren. Ook de mens kan besmet worden met deze spoelworm, het is dus een zoönotische parasiet.
De spoelworm werd in juli 2024 voor de eerste keer in ons land vastgesteld bij 6 wasberen in Wallonië (Bouillon, Aywaille, Erezée, Raeren). In de winter 2024-2025 werd de spoelworm Baylisascaris procyonis vervolgens voor het eerst in Vlaanderen aangetroffen bij 2 wasberen.
Bij wasberen die besmet zijn met Baylisascaris procyonis worden spoelwormeitjes via de ontlasting uitgescheiden in de omgeving. De eitjes kunnen lange tijd overleven in de omgeving. De eitjes van deze spoelworm kunnen vervolgens vogels en vele andere zoogdieren, waaronder de mens, infecteren.
Ziekteverschijnselen bij dieren
Bij wasberen zelf geeft Baylisascaris procyonis meestal geen verschijnselen, tenzij een wasbeer zoveel wormen in zijn lichaam heeft dat de darmen verstopt raken. Dit gebeurt vaker in jonge wasberen, omdat jonge wasberen vaak veel wormen in de darmen kunnen hebben.
Bij vogels en zoogdieren (andere dan wasberen) kunnen na infectie met Baylisascaris procyonis larvae migrans ontstaan die voor neurologische klachten kunnen zorgen.
Ziekteverschijnselen bij mensen
De meeste humane infecties met Baylisascaris procyonis zijn waarschijnlijk asymptomatisch. Hoewel ziekte bij de mens dus niet vaak voorkomt, kan een infectie wel ernstig verlopen. De larvae migrans die na besmetting kan ontstaan, kan immers ernstige, soms zelfs fatale, neurologische klachten veroorzaken. Ook oogklachten zijn mogelijk. Hoewel menselijke besmettingen zeldzaam zijn, houden ze wel risico in. Gezien de ernst van ziekte is extra voorzichtigheid geboden.
Besmetting en preventie
Mensen kunnen besmet raken met deze parasiet als ze eitjes van Baylisascaris procyonis opnemen. Dit kan bijvoorbeeld door in aanraking te komen met de mest van geïnfecteerde wasberen, of met besmette aarde. Mensen kunnen ook worden besmet door eitjes die vastgeplakt zitten aan de vacht en die via de handen en mond worden opgenomen.
De grootste risicogroep voor besmetting met Baylisascaris procyonis zijn jonge kinderen van 1-4 jaar oud, omdat zij de neiging hebben vreemde voorwerpen/aarde in hun mond te stoppen die mogelijk eitjes van deze spoelworm bevatten. Het is daarom belangrijk om te voorkomen dat kinderen in aanraking komen met wasberen, hun mest of met aarde die mogelijk besmet is door wasberen. Algemene hygiëne zoals handen wassen na buitenactiviteiten en voor het eten is belangrijk.
Wasberen die als huisdier worden gehouden, vallen onder federale regelgeving. Deze dieren moeten regelmatig worden ontwormd om het risico op besmetting van de omgeving zo laag mogelijk te houden. Ontlasting van wasberen die als huisdier worden gehouden, moet niet met het GFT-afval worden afgevoerd, omdat het dan een risico zou zijn dat de eitjes over een groot gebied worden verspreid.
Voorzorgsmaatregelen:
- Kom niet in de buurt van wasberen en voeder ze zeker niet.
- Pluk tijdens een wandeling enkel wilde bessen die minstens 50 centimeter boven de grond hangen.
- Was bosvruchten (bramen, frambozen en bosbessen), zelfgeplukte paddenstoelen en valfruit eerst grondig en kook ze indien mogelijk vóór consumptie (10 minuten op 60°C, 5 minuten op 70°C of 1 minuut op 100°C) als het uit gebieden komt waar wasberen (of vossen: zie vossenlintworm) kunnen leven.
- Was uw handen goed na buitenactiviteiten, zoals buitenspelen, tuinieren en andere grondwerkzaamheden.
- Raak geen in het wild levende dieren (dode of levende) aan.
- Sluit zandbakken wanneer ze niet worden gebruikt.
- Hou ook kinderen in de gaten zodat ze geen aarde in hun mond stoppen.
- Hou honden weg van wasberen, hou ze in bosrijk gebied aan de lijn en laat ze regelmatig ontwormen.
- Hebt je een wasbeer gezien, meld het dan op www.waarnemingen.be/exoten.
Bijensterfte
Meer informatie volgt binnenkort.
Blauwalgen
Dieren en mensen kunnen ziek worden bij contact met water dat gifstoffen van blauwalgen bevat. Dat contact kan via de mond, huid of via inademing verlopen. Zo kunnen mensen en dieren bij inname van water met gifstoffen van blauwalgen maag- en darmklachten (zoals diarree en braken) krijgen. Contact met het water kan ook leiden tot huidirritatie, zoals jeuk en rode vlekken, tot irritatie van de ogen en oren, hoofdpijn, luchtwegklachten, allergische reacties en astma. Daarnaast komen duizeligheid, ademhalingsproblemen, sloomheid en kramp voor.
Blauwalgen kunnen ook een negatieve impact hebben op in het wild levende dieren. Bij een massale toename van blauwalgen in oppervlaktewater wordt de voedselketen in het water verstoord omdat blauwalgen minder eetbaar zijn voor waterdieren dan ander plankton. Daarnaast veroorzaken blauwalgenbloei grote schommelingen in de zuurstofhuishouding die schadelijk kunnen zijn voor waterdieren. Die schommelingen worden veroorzaakt doordat overdag het waterzuurstofgehalte piekt door massale fotosynthese door de blauwalgen, terwijl ’s nachts het zuurstofgehalte sterk daalt omdat de algen dan veel zuurstof verbruiken.
Wanneer in het najaar de algen massaal afsterven, kan het zuurstofgehalte bovendien zo sterk dalen dat vissen en andere waterdieren sterven. Ten slotte bevordert zuurstoftekort in het water de ontwikkeling van botulisme, wat dodelijk is voor watervogels en vissen. Massale groei van blauwalgen is dus slecht nieuws voor de waterdieren.
Mogelijk stapelen de toxines van blauwalgen zich ook op in de organen en het spierweefsel van watervogels. Daarover is nog niet veel wetenschappelijke informatie beschikbaar. Bij gebrek aan meer duidelijkheid wordt aanbevolen om waterwild niet te consumeren als dat afkomstig is van gebieden waar blauwalgenbloei voorkomt. Het is eveneens aan te raden om ook in de periode na de blauwalgenbloei geen vis of waterwild te consumeren omdat de toxines daarin nog lang aanwezig kunnen blijven. Het koken van voedsel verwijdert de toxines niet.
Omdat watervogels en jachtwild mobiel zijn en niet steeds in dezelfde waterloop of vijver drenken of foerageren, is het een algemeen advies om geen wilde watervogels te consumeren zodra er op diverse plaatsen blauwalgenbloei gesignaleerd wordt.
- Lees meer over blauwalgenbloei op de website van de Vlaamse Milieumaatschappij: waar kunt u blauwalgenbloei melden en wat kunt u als land- of tuinbouwer of als eigenaar van een private vis- of recreatievijver doen om blauwalgenbloei tegen te gaan?
- Actuele locaties op de waterwegen, dat zijn de kanalen en grote rivieren onder beheer van De Vlaamse Waterweg, waar blauwalgen voorkomen.
Blauwtong
Blauwtong is een virale ziekte waarvan verschillende serotypen bestaan die schapen, runderen en wilde grazers treft; vooral bij de eerste soort treedt een hoge mortaliteit op. De eerste grote uitbraak van BTV in Noord-Europa dateert van 2006-2009; toen circuleerde serotype 8. Sinds september 2023 circuleert serotype 3 (BTV3) en is ook ons land getroffen. Begin oktober 2024 werd in Nederland alweer een nieuw serotype (BTV12) vastgesteld maar het is onduidelijk of dit serotype zich al verder heeft verspreid. In 2025 is vaccinatie tegen BTV3 en BTV8 verplicht voor schapen en rundvee.
Blauwtong wordt niet overgedragen van dier op dier en ook niet van dier op mens. De overdracht van BTV gebeurt door verschillende soorten knijten (o.a. Culicoides obsoletus complex). Knijten (of knutten) zijn zeer klein (enkele mm) en worden voornamelijk door de wind verplaatst. Ze kunnen zowat overal ter wereld aangetroffen worden maar hebben nood aan een vochtige omgeving voor de ontwikkeling van eieren, larven en poppen. Voor meer info zie "knijten".
De knijtensoorten die BTV kunnen overdragen worden vaak gevonden in koeienvlaaien of mesthopen waarbij temperatuur, pH en vochtigheidsgraad belangrijke bepalende elementen vormen. Ze kunnen echter ook aangetroffen worden in andere modderige substraten.
Enkel vaccinatie kan helpen om de ziekte te voorkomen. Het verplaatsen van kuddes naar drogere delen of het opstallen van dieren bij schemering en ’s nachts (tijdens de piekactiviteit van de knijten) kan het risico op knijtensteken verminderen. Meer informatie kan gevonden worden op de FAVV website.
Bij vermoeden van blauwtong moet onmiddellijk een dierenarts gecontacteerd worden.
Botulisme
De belangrijkste factoren voor een uitbraak van Botulisme zijn eutrofiëring van het water in combinatie met verhoogde temperatuur (in de zomer of, lokaal, door thermische verontreiniging). Botulisme komt sneller tot uiting bij zuurstoftekort in het water. Kadavers van vogels en vissen die blijven liggen kunnen zorgen voor een uitbraak van botulisme door gifproductie van de bacterie Clostridium botulinum. Daarom is het belangrijk kadavers snel uit het water te verwijderen. Contacteer dus steeds de terreinbeheer wanneer je meerdere vis- en/of vogelkadavers aantreft.
Om de uitbreiding van de gifproductie af te remmen is het aangewezen dat de terreinbeheerder:
- dode vogels en vissen zo snel mogelijk uit het water haalt en verwijdert via Rendac;
- noodlijdende vogels met vergiftigingssymptomen zo snel mogelijk brengt naar een erkend Opvangcentrum voor Vogels en Wilde Dieren;
- zieke en dode dieren niet aanraakt met blote handen, maar wegwerphandschoenen, overall en laarzen draagt.
De verzamelde kadavers moeten goed verpakt worden in een sluitende, stevige plastieken zak en onmiddellijk afgevoerd via Rendac of naar een erkende verbrandingsinstallatie.
Nadat alle kadavers en zieke vogels op de aangetaste locatie zijn verwijderd, kunnen afhankelijk van de lokale omstandigheden, volgende acties aangewezen zijn om de uitbraak te stoppen:
- het toedienen van zuiver water met behulp van een krachtige pomp zodat het zuurstofgehalte in de besmette vijver, poel of plas geleidelijk aan toeneemt. De beste methode bestaat erin het water hoog in de lucht te spuiten – als een fontein – zodat de waterstraal de nodige zuurstof uit de lucht kan opnemen.
- een systeem voorzien om een permanente zuurstoftoevoeging te verzekeren via een sterke doorstroming van zuiver water in ondiepe en stilstaande waterplassen die risicovol zijn voor botulisme. Ondiepe plassen kunnen uitgediept worden, gecombineerd met de toevoeging van zuiver water. Op die manier zal het water minder snel kunnen opwarmen en zal het zuurstofgehalte langer op peil blijven. Een logisch gevolg hiervan is dat de bacterie Clostridium botulinum minder ontwikkelingskansen krijgt.
Brucellose
Brucellose is een bacteriële infectie die onder meer bij varkens voorkomt. De bacterie is ongevaarlijk voor de mens, maar professionele varkensbedrijven kunnen bij een besmetting grote schade oplopen. Daarom wordt ook de verspreiding bij in het wild levende zwijnen goed opgevolgd. Sporadisch kan brucellose ook bij runderen voorkomen.
Chytridiomycose
Amfibieënpopulaties kennen wereldwijd een dramatische terugval. De infectieziekten chytridiomycose en ranavirose spelen daarin een sleutelrol. De schimmelziekte chytridiomycose wordt meestal veroorzaakt door de schimmel Batrachochytrium salamandrivorans. Ze is niet schadelijk voor de mens, maar heeft de jongste jaren een reputatie opgebouwd van notoire amfibieëndoder. De schimmel werd eind jaren 1990 ontdekt en infecteerde wereldwijd al meer dan 440 soorten amfibieën. De ziekte vormt daarmee een grote bedreiging voor de biodiversiteit. In 2013 werd voor het eerst chytridiomycose ontdekt bij vuursalamanders in Wallonië. Sindsdien veroorzaakt de ziekte er een massale sterfte.
Cyanotoxines van blauwalgen
Blauwalgen komen vrijwel uitsluitend voor in oppervlaktewater. Ze beginnen te bloeien in specifieke omstandigheden:
- Als er weinig of geen stroming op een waterloop of vijver zit
- Als het water (te) veel voedingsstoffen bevat, zoals fosfaat of nitraat
- Als het langere tijd heel warm is
Schadelijke gevolgen
Water dat gifstoffen van blauwalgen bevat, kan mensen en dieren ziek maken. Het drinken van besmet water kan leiden tot maag- en darmklachten, zoals braken en diarree. Ook het aanraken of inademen van cyanotoxines kan problemen veroorzaken, zoals jeuk, rode vlekken op de huid, irritatie van de ogen en oren, hoofdpijn, luchtwegklachten, allergische reacties en astma. In uitzonderlijke gevallen worden mensen duizelig of krijgen ze last van ademhalingsproblemen, vermoeidheid of krampen. In België komen mensen vooral in contact met besmet water tijdens het zwemmen of andere watersporten.
Blauwalgen kunnen ook een negatieve impact hebben op in het wild levende dieren. Bij een massale toename van cyanobacteriën in oppervlaktewater wordt de voedselketen verstoord, omdat blauwalgen minder eetbaar zijn voor waterdieren dan andere vormen van plankton. Daarnaast veroorzaken blauwalgen grote schommelingen in het zuurstofgehalte van het water, omdat ze overdag heel veel zuurstof produceren en ’s nachts veel zuurstof verbruiken. Een zuurstoftekort in het water bevordert de ontwikkeling van botulisme, wat dodelijk is voor vissen en watervogels. Ook als de algen in het najaar afsterven, kan het zuurstofgehalte zo sterk dalen dat vissen en andere waterdieren sterven.
Aanbevelingen
Om gezondheidsproblemen door cyanotoxines te voorkomen houdt u het best rekening met de volgende aanbevelingen.
- Consumeer geen waterwild dat afkomstig is uit gebieden waar blauwalgenbloei voorkomt. De toxines van blauwalgen kunnen zich mogelijk opstapelen in de organen en het spierweefsel van watervogels. Daarover is nog niet veel wetenschappelijke informatie beschikbaar. Bij gebrek aan duidelijkheid is voorzichtigheid geboden.
- Is de blauwalgenbloei verdwenen, wacht dan nog enkele maanden om vis of waterwild uit het gebied te consumeren. De toxines kunnen nog lang in dierlijk weefsel aanwezig blijven.
- Wordt er op meerdere plaatsen blauwalgenbloei gesignaleerd, wacht dan enkele maanden om wilde watervogels te consumeren. Watervogels en jachtwild zijn mobiel en drinken niet altijd uit dezelfde vijver of waterloop.
- Het koken van voedsel verwijdert de toxines niet.
- Zoek op wat u als land- of tuinbouwer of als eigenaar van een vis- of recreatievijver kunt doen om blauwalgenbloei tegen te gaan, en hoe u gevallen van blauwalgenbloei kunt melden.
Duivenziekte (trichomoniase)
Risico’s
Vogels die duivenziekte oplopen, verliezen gewicht en kunnen last krijgen van zwellingen, overgeven en ademhalingsproblemen. Na vier dagen kan de vogel sterven. Enkele preventieve maatregelen kunnen helpen om de verspreiding van de ziekte tegen te gaan. Er zijn geen aanwijzingen dat duivenziekte overdraagbaar is op de mens of op andere zoogdieren. Bij Natuur en Bos loopt momenteel geen monitoringprogramma voor trichomoniase.
Egelinfectie
Sinds 2019 belaagt de bacterie Corynebacterium ulcerans de egelpopulatie in Vlaanderen. Vanaf 2020 nam het aantal egelslachtoffers zienderogen toe. Getroffen egels hebben wonden op en rond het hoofd, gezwollen poten, onderhuidse abcessen en zweertjes. Op warme dagen leggen vliegen eitjes in de wonden, waar vervolgens maden uitkomen. De egels raken zodanig verzwakt dat ze meestal sterven aan de aandoening. Natuur en Bos onderzoekt de ziekteproblematiek bij de egelpopulatie in Vlaanderen in samenwerking met de Wildlife Health Group van de Universiteit Gent.
Hantavirose
Behandeling
Bij de meeste patiënten volstaat het om de koorts en de hoofdpijn te behandelen met paracetamol. Soms kunnen nier- en luchtwegaandoeningen door hantavirose ernstige vormen aannemen en heeft een patiënt beademing en/of nierdialyse nodig. Het merendeel van de patiënten geneest binnen de twee à drie weken, al kan de bijbehorende vermoeidheid langer blijven aanslepen.
Besmetting voorkomen
In België komt het hantavirus vooral in de Ardennen voor. Er wordt aangeraden om contact met in het wild levende knaagdieren te vermijden. Vindt u muizenkeutels of dode knaagdieren in huis, neem dan preventieve maatregelen. Haal alle kadaverresten weg en poets en ontsmet het huis. Bij Natuur en Bos loopt momenteel geen monitoringprogramma voor hantavirose.
Hondsdolheid (rabiës)
Rabiës of hondsdolheid, is een ernstige ziekte die de hersenen aantast. De ziekte wordt veroorzaakt door het rabiësvirus. Rabiës is een zoönose: dat betekent dat de ziekte van dieren op mensen kan worden overgedragen. Verschillende diersoorten kunnen besmet raken. Je vindt hierover meer informatie terug op 'Basismonitoring of surveillance'.
Ook mensen kunnen besmet raken met rabiës. Zonder snelle postexpositieprofylaxe leidt een infectie vrijwel altijd tot een fatale afloop. De ziekte kan ernstige neurologische symptomen, verlamming, coma en overlijden veroorzaken. Vaccinatie tegen rabiës biedt een goede bescherming tegen infectie (zie wanda).
Bij dieren kan rabiës zich op verschillende manieren tonen. Sommige dieren worden onrustig of agressief. Dat verklaart de naam ‘hondsdolheid’. Andere dieren worden juist slap, verlamd of opvallend tam. Wees daarom altijd voorzichtig met wilde of verwilderde dieren die zich vreemd gedragen.
Bioveiligheidsmaatregelen bij direct contact met vleermuizen
Raak vleermuizen niet met de blote hand aan. Wees extra voorzichtig als een vleermuis ziek lijkt, niet kan vliegen, herhaaldelijk op de rug valt, ongecontroleerde bewegingen maakt of agressief gedrag vertoont. Neem in zulke gevallen contact op met de bevoegde diensten (VOC’s) en probeer het dier niet zelf te vangen of te verzorgen. Als een vleermuis toch moet worden gemanipuleerd, gebeurt dat best met stevige (lederen) handschoenen.
Mensen die regelmatig met vleermuizen in contact komen of die beroepsmatig meer risico lopen, laten zich best vooraf tegen rabiës vaccineren. Dat geldt bijvoorbeeld voor boswachters, medewerkers van opvangcentra voor wilde dieren en chiropterologen. Meer informatie over deze vaccinatie kunt u opvragen bij uw huisarts of bij het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG).
Postexpositieprofylaxe na een beet van een verdacht dier
Wie gebeten werd door een mogelijk besmet dier, of ermee in contact kwam, contacteert best zo snel mogelijk een arts of de spoeddiensten. De arts kan contact opnemen met het Instituut voor Tropische Geneeskunde voor medische opvolging na blootstelling aan een verdacht dier, en met het WIV voor laboratoriumanalyses om de diagnose van rabiës te stellen.
Na een beet door een mogelijk met rabiës besmet dier is het essentieel om de wonde, hoe klein of oppervlakkig ook, gedurende 15 minuten grondig met water en zeep uit te wassen. Het virus is zeer gevoelig voor detergenten. Spoel de wonde daarna goed en ontsmet ze grondig met jodium/Isobetadine of ethanol 60-80%. Raadpleeg vervolgens zo snel mogelijk een arts voor verdere verzorging en om vaccinatie te overwegen.
Bij een persoon die al eerder gevaccineerd werd, volstaat een boostervaccinatie op dag 0 en dag 3 na een verdachte beet. Dat moet na elke verdachte beet worden herhaald. Bij gezonde personen met een normale immuniteit zijn antirabiësimmunoglobulinen dan niet meer nodig. Op dag 13 wordt een antistoftiterbepaling uitgevoerd. Bij een persoon die nog niet eerder gevaccineerd werd, moeten altijd twee stappen worden uitgevoerd:
- Toediening van specifieke antirabiësimmunoglobulinen (RIG), ook ‘antiserum’ genoemd, in en rond de wonde. Dat heeft geen zin meer vanaf de achtste dag na de start van de vaccinatie. Neem hiervoor altijd contact op met het referentiecentrum rabiës, namelijk het Instituut voor Tropische Geneeskunde. Telefonisch advies is op weekdagen tussen 9 en 17 uur beschikbaar via 03 247 64 65 of 03 247 64 05, of via receptie@itg.be. Buiten de werkuren en tijdens het weekend neemt men contact op met de spoedgevallendienst van het UZA via 03 821 30 00.
- Toediening van vijf injecties met een rabiësvaccin op celcultuur, op dag 0, 3, 7, 14 en 28. Op dag 38 wordt een antistoftiterbepaling uitgevoerd.
Wanneer een huisdier gebeten wordt door een vleermuis of vos, raadpleeg dan steeds een dierenarts voor de aangewezen behandeling.
Klassieke varkenspest
Klassieke varkenspest of varkenscholera is een virusziekte die voorkomt bij varkens. Ook everzwijnen die in het wild leven, kunnen geïnfecteerd worden. De ziekte is erg besmettelijk en kent vaak een dodelijke afloop. Een specifieke behandeling bestaat voorlopig niet. Varkenspest is niet gevaarlijk voor mensen, maar heeft het potentieel om de professionele varkenshouderij zwaar aan te tasten. De ziekte verspreidt zich:
- Via de baarmoeder (van zeug op big)
- Door rechtstreeks contact met een ziek dier
- Door onrechtstreeks contact met een ziek dier (bijvoorbeeld via mensen of via besmette schoenen, kleren, materialen of voertuigen)
- Door het eten van onvoldoende verhit voedselafval
Het virus is aanwezig in het bloed, de weefsels, de urine, de uitwerpselen en alle uitscheidingen van zieke dieren. Het is heel besmettelijk en blijft lange tijd in de weefsels aanwezig.
Preventieve maatregelen
Klassieke varkenspest komt momenteel niet voor in België. Daarom moeten er geen specifieke preventiemaatregelen genomen worden. Wie in contact komt (of kan komen) met wilde everzwijnen, volgt wel best de standaard aangeraden sanitaire voorzorgsmaatregelen:
- Draag vloeistofdichte (wegwerp)handschoenen met lange mouwen
- Eet of drink niet tijdens het ontweien of manipuleren van kadavers
- Laat bij het ontweien van geschoten everzwijnen in het veld de ingewanden NIET achter in de natuur. Neem de ingewanden mee naar een wildverwerkingsinrichting of laat ze ophalen door een bevoegd destructiebedrijf
- Was uw handen met zeep, water en eventueel extra ontsmettingsmiddel na de werkzaamheden
- Was uw handen opnieuw voor het eten
Meer weten over klassieke varkenspest? Raadpleeg de website van het FAVV
Mezenziekte door Suttonella ornithocola
Mezenziekte opsporen
Mezenziekte komt sinds het voorjaar van 2020 voor in het westen van Duitsland en in Nederland. Duizenden pimpelmezen lieten daarbij het leven, vooral de kleinere meessoorten zoals de pimpelmees. In Vlaanderen zijn nog geen besmettingen gemeld, maar waakzaamheid is geboden. Zodra de ziekteverwekker in Vlaanderen opduikt, zal Natuur en Bos de toestand opvolgen. De vogelopvangcentra voor wilde dieren staan paraat om zieke mezen op te vangen. Om eventuele besmettingen snel op te sporen vragen we om uw medewerking.
- Vindt u een verzwakte mees in uw tuin of omgeving, stop ze dan in een kartonnen doos en contacteer het dichtstbijzijnde opvangcentrum voor vogels en wilde dieren. Een medewerker zal u deskundig verder helpen. Was grondig uw handen nadat u een ziek dier hebt vastgenomen.
Omdat mezenziekte een infectieziekte is, is het belangrijk om te voorkomen dat vogels elkaar besmetten. Besmettingen via rechtstreeks contact zijn moeilijk te voorkomen, maar indirecte besmettingen – via een voederplek of drinkplek – zijn wél te vermijden.
- Merkt u vogelsterfte op in uw tuin, haal dan de voederbakjes en/of drinkbakjes weg gedurende een tweetal weken. Ontsmet de bakjes grondig voor u ze terugzet. Dat kunt u doen met een huishoudontsmettingsmiddel zoals bijvoorbeeld een verdunde huishoudbleekwater oplossing (5% natriumhypochloride), of een ander desinfectiemiddel. Vergeet niet om het ontsmettingsmiddel weer af te spoelen met water en goed te laten drogen.
- Ook als u geen vogelsterfte opmerkt, kunt u de vogels in uw tuin best niet voederen. Zo kunnen voederplaatsen geen besmettingshaarden worden. In Vlaanderen is bijvoederen vrijwel nooit nodig. Alleen bij langdurige vrieskou kunt u wat voeding buiten leggen.
- Wilt u toch vogels naar uw tuin lokken, maak voedertafels en vogelbaden dan elke dag grondig schoon, zoals hierboven vermeld wordt. Verplaats uw voedertafel regelmatig zodat eventuele ziekteverwekkers zich niet onder de tafel kunnen ophopen.
Myxomatose
Ranavirose
Amfibieënpopulaties kennen wereldwijd een dramatische terugval. De infectieziekten chytridiomycose en ranavirose spelen daarin een sleutelrol. Ranavirose wordt veroorzaakt door ranavirussen. De ziekte kan in principe alle inheemse amfibieën in Vlaanderen infecteren en kan onder bepaalde omstandigheden een uitgebreide sterfte veroorzaken. Dat gebeurt momenteel al in Nederland.
Schurft of scabiës
Schurft is een besmettelijke huidaandoening veroorzaakt door mijten (Sarcoptes scabiei). Deze aandoening kan voorkomen bij de wilde fauna, zoals bij ondermeer vossen. Besmette dieren hebben een of meer van volgende symptomen: kale plekken in de vacht, kale staart, korstige huid, lusteloosheid. De mijten kunnen eveneens schurft veroorzaken bij huisdieren en mensen, met intense jeuk en huiduitslag als gevolg. Schurft is met de juiste behandeling, zoals voorgeschreven door een arts, goed te genezen.
Om besmetting van mens en huisdieren met schurft te voorkomen wanneer die circuleert bij de wilde fauna, zijn volgende bioveiligheidsmaatregelen aanbevolen:
- Vermijd contact met levende of dode dieren om overdracht van de mijt te voorkomen
- Houd honden aangelijnd in natuurgebieden
- Indien een dier met schurft contact heeft gehad met kledij of materialen (bvb bij jachtactiviteiten), dient de kledij gewassen te worden op 60°C
- Materialen die contact hadden met een dier met schurft en die niet gewassen kunnen worden, kunnen 5 dagen lang in een goed afgesloten plastic zak worden bewaard, of 12 uur in de diepvriezer op -20°C
- Draag bij elk contact met een dier met schurft steeds wegwerphandschoenen
Dood aangetroffen dieren dienen te worden gemeld bij het Agentschap voor Natuur en Bos voor verder onderzoek: lees hoe je een kadaver kan aanmelden.
Tekenencefalitis
Tick-borne encephalitis (TBE) of tekenencefalitis is een virale hersenvliesontsteking die kan optreden na een beet van een teek die besmet is met het tekenencefalitisvirus (TBEV). TBEV is een zoönotisch virus: het kan worden overgedragen van dier op dier en, via besmette teken, ook van dier op mens. Het virus behoort tot de flavivirussen, dezelfde virusfamilie als onder meer het gelekoortsvirus en het denguevirus.
Het tekenencefalitisvirus komt voor in verschillende landen in Europa. Het wordt voornamelijk overgedragen door teken van het geslacht Ixodes. Besmette teken kunnen het virus in alle levensstadia overbrengen: als larve, nimf of volwassen teek.
Een belangrijk verschil met de ziekte van Lyme is dat het TBE-virus meteen na een tekenbeet kan worden overgedragen. Bij de ziekte van Lyme gebeurt overdracht meestal pas nadat de teek enige tijd heeft vastgezeten in de huid.
De meeste patiënten krijgen na besmetting met TBEV griepachtige klachten. In ongeveer 10 procent van de gevallen treden ernstigere symptomen op, zoals hoge koorts, hoofdpijn, verlammingsverschijnselen en een ontsteking van het hersenvlies. Ongeveer 1 tot 2 procent van de patiënten overlijdt aan de ziekte.
Omdat tekenencefalitis wordt veroorzaakt door een virus, bestaat er geen behandeling die het virus zelf bestrijdt. Alleen de symptomen, zoals koorts, kunnen worden behandeld. Er bestaat wel een goed werkend vaccin om ziekte te voorkomen dat vrij verkrijgbaar is bij de apotheek. Mensen die extra risico lopen op tekenbeten kunnen zich hierover laten adviseren door hun huisarts.
TBE-antistoffen werden in Vlaanderen reeds in 2013 aangetoond bij wilde everzwijnen. Meer recent werden in 2019-2020 eveneens antistoffen tegen TBEV gedetecteerd bij 9,3% van de onderzochte everzwijnen. Dat wil zeggen dat het virus in Vlaanderen circuleert bij de wilde fauna en bij teken en dat dus ook de mens eraan kan worden blootgesteld via een beet van een besmette teek. Lokale humane besmettingen werden in Vlaanderen recent waargenomen (bron: DZorg).
Voorzorgsmaatregelen
Probeer tekenbeten zoveel mogelijk te voorkomen. Blijf tijdens een natuurbezoek op de paden en vermijd hoog gras, struikgewas en dichte begroeiing. Draag beschermende kleding, zoals dichte schoenen, kousen, een lange broek en lange mouwen. Onbedekte huid kunt u insmeren met een insectenwerend product. Deze voorzorgsmaatregelen verkleinen de kans op een tekenbeet, maar bieden geen volledige bescherming
Trichinellose (rondworm)
Trichinellose is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de rondworm Trichinella. Die rondworm kan voorkomen bij de meeste diersoorten en ook bij de mens. Een besmetting gebeurt door het eten van vlees dat larven van Trichinella bevat. Typische slachtoffers zijn everzwijnen, omdat ze alleseters zijn en gemakkelijk vlees van een besmet knaagdier binnenkrijgen. Mensen kunnen geïnfecteerd raken door het eten van besmet varkensvlees, paardenvlees of everzwijnenvlees dat niet voldoende verhit werd.
In de Europese Unie moeten alle varkens, paarden en everzwijnen die op de consumptiemarkt komen getest worden op Trichinella. Daardoor is trichinellose bij mensen vrijwel verdwenen. Bij dieren die in het wild leven, zoals everzwijnen en vossen, duikt de rondworm nog af en toe op. Natuur en Bos coördineert momenteel geen monitoringprogramma voor trichinellose.
Tuberculose
Tuberculose (tbc) is een ernstige besmettelijke bacteriële infectieziekte die zware ontstekingen veroorzaakt, meestal in de longen. Tuberculose komt onder meer voor bij koeien, geiten, schapen, varkens, vossen, hazen, honden en katten. Tuberculose kan worden overgedragen van besmette dieren op mensen. De ziekte werd ontdekt in 1882 en behoort vandaag nog altijd tot de tien meest voorkomende doodsoorzaken ter wereld. Tbc kan behandeld worden met een combinatie van verschillende antibiotica.
Sinds 25 juni 2003 is België officieel vrij van tuberculose. Toch duiken er af en toe nieuwe haarden op.
Natuur en Bos houdt de verspreiding van de ziekte in Vlaanderen in het oog.
Tularemie of hazenpest
Er komen meer en meer signalen dat de bacterie Francisella tularensis circuleert onder de wilde fauna in verschillende regio’s in Vlaanderen. In Europa is de belangrijkste dierlijke bron van menselijke besmettingen met Francisella tularensis de Europese haas (Lepus europaeus), maar ook andere (kleine) zoogdieren en vogels kunnen een reservoir zijn voor de bacterie.
De mens kan besmet raken met deze bacterie via volgende besmettingsbronnen:
- na direct contact met de huid van een besmet dier
- via een insectenbeet (teken-, muggen- of vliegenbeet)
- na direct contact met plantengewassen, grond, water of voedsel dat besmet is met de bacterie
- door de inhalatie van besmette luchtdeeltjes
Om het risico op humane besmetting te verkleinen, zijn volgende voorzorgsmaatregelen aangewezen:
- contacteer steeds een arts wanneer je na een tekenbeet ziek wordt en vermeld de tekenbeet;
- vermijd insectenbeten door gebruik van insectenwerende huidproducten en dragen van goed gesloten kleding, controleer op steeds op tekenbeten en verwijder teken zorgvuldig;
- draag altijd wegwerphandschoenen bij het aanraken van zieke of dode dieren en gooi deze na eenmalig gebruik weg. Was hierna uw handen met zeep en veel water en droog ze goed;
- zorg bij wondjes voor een goede wond-hygiëne door de wond zorgvuldig te desinfecteren en verbind schaaf- en snijwondjes;
- hanteer karkassen van in het wild levende dieren steeds met handschoenen en draag een mondmasker om het inademen van zwevende druppeltjes lichaamsvloeistof van het dier te vermijden;
- zorg voor een goede verhitting van wildbraad zodat het gaar is, eet geen rosé gebakken vlees (kerntemperatuur hoger dan 60 °C), het invriezen van dieren of vlees doodt de bacterie niet;
- als na het ontweiden van hazen of konijnen de karkassen met water worden schoongespoten, is het aan te raden een mondkapje met FFP2 filter te gebruiken. Gewone mondkapjes houden de bacterie die tularemie veroorzaakt niet tegen. De fijne nevel die met het spuiten ontstaat, kan besmet zijn met de bacterie en kan worden ingeademd.
- vermijd lichaamscontact met mogelijk besmet oppervlaktewater (rivieren, sloten, meren) en het drinken van ongezuiverd water;
- neem algemene hygiënemaatregelen om het contact van eventueel besmette knaagdieren met waterbronnen en voedselbronnen te beperken.
Usutu
Het usutuvirus is een tropisch virus dat wordt overgedragen door muggen. Het veroorzaakt ziekte en sterfte bij merels en andere vogels die in het wild leven. Voor zoogdieren en mensen is het virus niet gevaarlijk.
Natuur en Bos houdt de verspreiding van het usutuvirus in Vlaanderen in het oog.
Vogelgriep (aviaire influenza)
Vogelgriep of aviaire influenza (AI) is een virusziekte die alle soorten vogels kan besmetten. Sommige AI-virussen worden ook overgedragen op zoogdieren en mensen. Vogelgriep kan bij gedomesticeerde vogels epidemische uitbraken veroorzaken en heel veel sterfte en economische schade veroorzaken. De ziekte kan zich verspreiden door:
- Invoer van besmette vogels
- Invoer van besmette vogelproducten
- Contact met besmet materiaal
- Verspreiding via de lucht
- Contact met in het wild levende vogels
Onder gunstige omstandigheden (bij lage temperaturen, omgeven door uitwerpselen of organisch materiaal) kunnen vogelgriepvirussen dagen tot weken in de omgeving overleven.
Westnijlkoorts
Het westnijlvirus (WNV) is een flavivirus dat westnijlkoorts veroorzaakt. Dit virus komt voor bij vogels en wordt overgebracht door muggen. De muggen, voornamelijk de huissteekmug (Culex pipiens), raken besmet met het virus door zich te voeden met bloed van besmette vogels. Daarna verspreiden deze muggen het virus naar andere vogels en soms ook naar mensen en andere zoogdieren, zoals paarden. Andersom kunnen muggen het virus niet van mensen en andere zoogdieren krijgen.
Het westnijlvirus heeft zich verspreid over grote delen van de wereld. Het virus komt al langere tijd voor in delen van Afrika, het Midden-Oosten, West-Azië, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, het zuidoosten en midden van Europa en het Middellandse zeegebied. De afgelopen jaren breidde het westnijlvirus zich meer noordelijk uit binnen Europa, waaronder naar delen van Duitsland, Frankrijk en Nederland.
Begin oktober 2025 werd het westnijlvirus voor het eerst in Vlaanderen en België gedetecteerd in stalen die in augustus 2025 waren genomen bij wilde vogels (resultaten 2025). Het virus werd aangetoond door middel van real-time PCR in stalen van drie wilde vogels – twee kauwen en één kraai – die waren verzameld in Mechelen, Hombeek en Meise. Ook in andere Europese landen, zoals buurlanden Frankrijk, Nederland en Duitsland, wordt het virus gedetecteerd bij paarden, vogels en mensen. Het aantreffen van het virus in Vlaanderen past dus binnen de Europese verspreiding van het virus en is niet onverwacht. In december 2025 werden in de screening nog vier extra WNV-positieve vogels vastgesteld. Het betrof 2 kauwen, een kraai en een havik afkomstig van Vilvoorde, Zemst, Zaventem en Buggenhout. Sinds de zomer van 2026 wordt het WNV virus verspreid over Vlaanderen aangetroffen bij de wilde avifauna.
Vogels die besmet zijn met het westnijlvirus kunnen koorts, griepachtige verschijnselen en/of neurologische symptomen vertonen, maar kunnen anderzijds ook symptoomloos zijn. Bij zoogdieren, waaronder de mens en paarden, variëren de symptomen van westnijlvirus sterk. De meeste infecties verlopen zonder klachten, maar kunnen bij mensen milde, griepachtige symptomen veroorzaken zoals koorts en hoofdpijn, en bij paarden leiden tot lusteloosheid of een slechte eetlust. In ernstigere gevallen kunnen beide soorten een neurologische vorm ontwikkelen wat zelfs dodelijk kan zijn. Oudere mensen en mensen met een lagere weerstand door ziekte of medicijnen hebben meer kans om erg ziek te worden van westnijlkoorts.
Aanbevelingen
Er is geen humaan vaccin beschikbaar, noch medicijnen tegen westnijlkoorts. Er zijn wel medicijnen die helpen om humane klachten te verminderen zoals paracetamol bij koorts. Raadpleeg steeds uw huisarts. De belangrijkste maatregel tegen het virus is een actieve bescherming tegen muggen: installeer muggenhorren voor ramen en deuren, draag bedekkende kleding, gebruik muggenwerende middelen zoals DEET of Icardine en, indien mogelijk, slaap onder een muskietennet.
In opvangcentra voor wilde dieren bevinden zich vele noodlijdende dieren en circuleren dus vele ziekteverwekkers waaronder WNV. Je kan de concrete operationele aanbevelingen ter bescherming van VOC-medewerkers terugvinden op deze pagina.
Meer informatie
WNV is zoönotisch en dus overdraagbaar via muggen op dier en mens. Meer informatie over het voorkomen bij dier en mens, en de aanpak ter preventie en behandeling kan je terugvinden op:
Ziekte van Aujeszky (pseudorabiës)
De Ziekte van Aujeszky is een infectieziekte die vooral bij varkens voorkomt. Oorzaak is het suid herpesvirus type 1. Veel voorkomende symptomen zijn koorts, gebrek aan eetlust en ademhalingsproblemen. Oudere geïnfecteerde dieren kunnen een longontsteking ontwikkelen. Pseudorabiës is heel besmettelijk bij varkens en in het wild levende everzwijnen. Besmette varkens blijven hun hele leven drager van het virus en kunnen de ziekte dus verder verspreiden. De mens is niet gevoelig voor de Ziekte van Aujeszky.
Ziekte van Lyme (borreliose)
Symptomen
Borreliose is soms moeilijk te herkennen omdat de symptomen erg uiteen lopen. De meest voorkomende klachten zijn een grote, rode vlek rond de beet en griepachtige verschijnselen. Als de ziekte niet tijdig wordt ontdekt en behandeld, kan ze in een later stadium leiden tot vermoeidheid, neurologische problemen, hartproblemen en artritis. Natuur en Bos voert in samenwerking met de Universiteit Gent en Universiteit Antwerpen onderzoek uit naar het voorkomen van de Borrelia spp. bij teken.
Zwemmersjeuk (bilharziose)
Besmetting
De meeste besmettingen met bilharziose gebeuren bij vogels. Mensen kunnen met de larven in contact komen tijdens het zwemmen of pootjebaden in zoet oppervlaktewater, vooral ’s ochtends en bij warm weer. Als de larfjes accidenteel de menselijke huid binnendringen, ontstaat een allergische ontstekingsreactie die beschreven wordt als cercariëndermatitis of swimmer’s itch. In de meeste gevallen sterven de cercariën in de huid. Heel af en toe migreren ze verder naar andere organen, waardoor schade aan de longen, de lever of de darmen kan optreden. Natuur en Bos coördineert momenteel geen monitoringprogramma voor bilharziose.
Ziekte van Newcastle
De ziekte van Newcastle of pseudovogelpest is een zeer besmettelijke vogelziekte die wordt veroorzaakt door een paramyxovirus. Er bestaan verschillende stammen van dit virus, die variëren in hun ziekmakend vermogen (virulentie). De meest virulente stammen veroorzaken ernstige ziekte en hoge sterfte bij vogels. Het virus kan via direct contact tussen besmette vogels of via indirect contact (besmet voedsel, water, uitwerpselen, kleding, etc.) worden overgedragen.
Het virus circuleert bij de wilde avifauna in Europa, en ook in België. Zo werd bijvoorbeeld in Vlaanderen in oktober 2025 bij enkele noodlijdende duiven die in een opvangcentrum voor wilde dieren werden opgevangen Newcastle disease (NCD) of pseudovogelpest vastgesteld. Het betrof duiven zonder klinische symptomen, met goede eetlust, die onverwacht stierven.
De ziekte van Newcastle kan voorkomen bij vrijwel alle vogelsoorten, dus bij zowel wilde vogels (zoals bv. watervogels en trekvogels) als gedomesticeerde vogels (zoals bv. kippen en kalkoenen). Wilde vogels fungeren als een natuurlijk reservoir voor het virus. De ernst van de ziekte bij vogels kan variëren: vogels kunnen ziek worden na besmetting, maar kunnen eveneens zonder ziek te worden het virus met zich mee dragen en verspreiden via uitwerpselen, aerosolen en via besmet materiaal. Gevoelige wilde vogels zijn onder meer fazanten, patrijzen en duiven.